Per 1 maart kunnen we weer onze belastingaangifte doen. De belastingdienst vult een groot deel van je aangifte in. Ideaal! Maar hoe weet je of je niet onnodig geld laat liggen? En wat is er allemaal veranderd door Corona? Doe je voordeel met deze tips, zowel voor particulieren als voor ondernemers.

Wil je graag hulp bij je belastingaangifte? Neem contact op met een gecertificeerd financieel planner.

Voor 8 mei moet je belastingaangifte binnen zijn. Lukt dit niet, dan kun je uitstel vragen tot 1 september. Vraag dit uitstel dan wel aan voor 8 mei. Je doet er echter verstandig aan om de aangifte toch voor 8 mei te doen. Op deze manier voorkom je dat je 4 procent rente moet betalen over de belastingaanslag. Ook als je geld terugkrijgt, dan levert uitstellen geen voordeel meer op, aangezien de Belastingdienst is gestopt met het vergoeden van rente.

Als je voor 8 april aangifte doet, dan krijg je voor 1 juli bericht van de Belastingdienst en staat het geld ook snel op je bankrekening. Tenzij je natuurlijk geld moet terugbetalen.

Eigen woning
In 2020 is er een record aantal hypotheken afgesloten. Heb jij een hypotheek afgesloten, overgesloten of verhoogd en hiervoor kosten gemaakt? Vergeet dan niet om de aftrekbare financieringskosten in je aangifte op te nemen. Deze worden namelijk niet automatisch door de Belastingdienst ingevuld. En vergeet ook niet om de eventueel betaalde boeterente op te geven. Ook deze is fiscaal aftrekbaar.

Ben je in 2020 een betaalpauze overeengekomen met de geldverstrekker van je hypotheek? Let dan goed op bij het invullen van de rubriek ‘renteaftrek’. Meestal kan de rente die niet in het belastingjaar zelf is betaald, ook niet worden afgetrokken.

Heb je particulier geld geleend (bijv. binnen je familie) voor de aankoop of verbetering van je eigen woning? Neem dan de aan hen betaalde rente plus de eventueel betaalde afsluitprovisie op in je aangifte.

Andere inkomsten door Corona
Door de coronacrisis kan voor jou 2020 een jaar zijn geweest met veel veranderingen. Als dat het geval is, dan is het belangrijk de vooraf ingevulde belastingaangifte extra goed te controleren.

Heb je door Corona als ondernemer een negatief inkomen in 2020, omdat de kosten hoger waren dan de inkomsten? Lever dan zeker op tijd je aangifte in. De Belastingdienst verrekent je negatieve inkomsten van 2020 in dat geval automatisch met positief inkomen van de drie voorgaande jaren. Ondernemers kunnen hierdoor mogelijk belasting terugkrijgen.

Ben je ondernemer en heeft je bedrijf betalingsproblemen vanwege de coronacrisis? Dan kan je t/m 30 juni 2021 bijzonder uitstel van betaling aanvragen voor verschillende belastingen. Heb je al bijzonder uitstel van betaling? Dan kan je de belastingdienst ook vragen het te verlengen. De belastingen waarvoor je bijzonder uitstel krijgt hoef je dus nu niet direct te betalen maar blijf wel op tijd aangifte doen.

Urencriterium
Mogelijk voldeed je in 2020 toch aan het urencriterium. Vanwege de coronacrisis is het urencriterium van 1 maart t/m 30 september 2020 versoepeld. Voor je aangifte inkomstenbelasting over 2020 mag je ervan uitgaan dat je in die periode ten minste 24 uur per week aan je onderneming hebt besteed, ook als je dat niet werkelijk hebt gedaan.

Bijzondere regelingen
De Belastingdienst houdt dit jaar rekening met de reeds ontvangen coronaregelingen. Heb je bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de TOZO of de TOFA? Dan zal deze uitkering waarschijnlijk al ingevuld zijn op je belastingaangifte.

Ontving je als ondernemer in 2020 een TOGS of TVGI? Geef deze tegemoetkomingen in je aangifte op bij de rubriek ‘Vrijgestelde winstbestanddelen’ en ‘Buitengewone baten en lasten’. Je hoeft hierover dan geen belasting te betalen.

Je woont of werkt over de grens in de EU
Door de maatregelen rondom het coronavirus, kan het zijn dat je in 2020 verplicht tijdelijk thuis werkte. Dat kan in een ander land zijn dan waar je normaal gesproken werkt. Dit kan gevolgen hebben hoe je je inkomsten in je aangifte inkomstenbelasting over 2020 moet opgeven.

Thuiswerkende ZZP-er
Als zzp’er mag je kosten voor thuiswerken meestal niet aftrekken. Als je als zzp’er tijdens de coronacrisis vaker vanuit huis hebt gewerkt en daardoor extra kosten hebt gemaakt mag je deze slechts in enkele gevallen aftrekken in je aangifte inkomstenbelasting over 2020.

Op zoek naar nog meer praktische tips? Neem dan eens contact op.

De overheid heeft een aantal belastingwijzigingen doorgevoerd voor particulieren en ondernemers. In grote lijnen kan worden gesteld dat iedereen erop vooruit gaat in 2021. Zowel particulieren als ondernemers.

Vrijstelling overdrachtsbelasting woningkopers tot 35 jaar
Met ingang van 2021 betalen kopers van 18 tot 35 jaar éénmalig geen overdrachtsbelasting bij aankoop van een woning. Dat maakt de aankoop van een woning voor hen voordeliger. Vanaf 1 april 2021 geldt aanvullend dat de woning niet duurder mag zijn dan € 400.000. Kopers van 35 jaar of ouder die in de woning gaan wonen, betalen 2 procent overdrachtsbelasting. Beleggers gaan 8 procent betalen. De overheid wil met deze maatregelen starters en doorstromers meer kansen geven op de woningmarkt en het aankopen van beleggingspanden ontmoedigen.

Extra verhoging van de algemene heffingskorting
Mensen met een inkomen tot € 68.507 zullen ervaren dat hun besteedbaar inkomen in 2021 toeneemt. Dat heeft te maken met een extra verhoging van de algemene heffingskorting, dit is een korting op de inkomstenbelasting en sociale premies.

Tot een inkomen van € 20.000 op jaarbasis blijft de algemene heffingskorting hetzelfde, daarna bouwt deze in versneld tempo af tot inkomens van € 68.507. Dit betekent dat mensen met een modaal inkomen meer zullen profiteren van deze maatregel en dus netto meer zullen overhouden, dan mensen met een bovenmodaal inkomen. Des te dichter men de grens van € 68.507 nadert, des te kleiner zal het fiscale voordeel zijn.

Basistarief inkomstenbelasting daalt
Het basistarief in de inkomstenbelasting daalt in 2021 van 37,35% naar 37,10%. Dit tarief geldt voor inkomens tot € 68.507. Zowel werkenden als mensen met een uitkering hebben hier voordeel van. Iedere natuurlijke persoon die belastingplichtig is, profiteert van deze verlaging.

Box 3
In Box 3 vinden wat veranderingen plaats. Allereerst gaat het tarief omhoog van 30 procent naar 31 procent. Daar staat tegenover dat de vrijstelling ook omhoog gaat, van € 30.846 in 2020 naar € 50.000 per belastingplichtige in 2021.

De manier van belasting berekenen in box 3 blijft hetzelfde. Er is in 2021 opnieuw sprake van drie belastingschijven. De grenzen van deze drie schijven veranderen wel in 2021. Per schijf rekent de belastingdienst met een vaste vermogensmix (dit is de verhouding tussen sparen en beleggen). Deze vermogensmix blijft gelijk in 2021.

In schijf 1 (van € 50.000 tot € 100.000 vermogen) wordt een vermogensmix aangehouden die als zwaartepunt ‘sparen’ heeft (67%) en voor een minderheidsaandeel ‘beleggen’(33%). In schijf 2 (van € 100.000 tot € 1.000.000 vermogen) is die mix 21% sparen en 79% beleggen. In schijf 3 (alles boven € 1.000.000 vermogen) is er sprake van volledig beleggen (100%).

Met ingang van 2021 wordt 0,03% rendement gerekend over het spaargedeelte (dat was in 2020 0,07%), over het beleggingsdeel is dat 5,69% rendement (dat was lager in 2020: 5,28%)

Vanaf 2021 gaat de zelfstandigenaftrek verder omlaag
De overheid wil de fiscale verschillen tussen zelfstandig ondernemers en werkenden verminderen. Een van de maatregelen om dat te bewerkstelligen is het verlagen van de zelfstandigenaftrek. Deze gaat stapsgewijs omlaag, in 2021 daalt het bedrag van € 7.070 naar € 6.670. Dit is het begin van een lange reeks verlagingen die uiteindelijk resulteren in een bedrag van € 3.240 in 2036.

Overigens geeft de overheid aan dat zelfstandig ondernemers er desondanks niet op achteruit zullen gaan in 2021 en dat komt door de algemene maatregelen die voor iedereen gelden: een lager tarief inkomstenbelasting en een hogere algemene heffingskorting.

Ook ondernemers met een BV profiteren
Ondernemers die een besloten vennootschap hebben, zullen er ook op vooruitgaan. Het tarief van de vennootschapsbelasting in de eerste schijf gaat namelijk omlaag, van 16,5 procent naar 15 procent. De schijfgrens gaat omhoog, van € 200.000 in 2020 naar € 245.000 in 2021.

In het jaar daarop (2022) blijft het tarief in de eerste schijf weliswaar hetzelfde, maar gaat de schijfgrens fors omhoog naar € 395.000 euro. Dat betekent dat over de winst tot € 395.000 slechts 15 procent vennootschapsbelasting hoeft te worden betaald, in 2020 was dat 16,5 procent tot 200.000 en moest er daarboven meteen 25 procent worden betaald. Over bijna 200.000 euro winst betekent dit een verlaging van 10 procent, dus 20.000 euro.

Benieuwd naar de gevolgen van deze wijzigingen voor jouw financiële situatie? Neem eens contact op met een gecertificeerd financieel planner.

In het Belastingplan 2021 van 15 september 2020 is een aantal wijzigingen voorgesteld dat betrekking heeft op de particulier. Een belangrijke wijziging betreft een aanpassing van box 3 waardoor de kleine spaarders en beleggers worden ontzien. Een andere belangrijke wijziging is de verhoging van het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting van 6% naar 8% en een vrijstelling voor starters en jonge doorstromers op de woningmarkt. Verder wordt voorgesteld om het overgangsrecht inzake de levensloopregeling aan te passen.

Belastingplan 2021
Op 15 september 2020 heeft het kabinet het Belastingplan 2021 bekendgemaakt. Hierna wordt een aantal relevante voorgestelde wijzigingen en maatregelen voor de particulier weergegeven. De huidige voorstellen kunnen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer nog veranderen. De stemming in de Tweede Kamer is naar verwachting op 12 november 2020. De Eerste Kamer stemt waarschijnlijk op 7 of 8 december 2020.

Tarief box 1
Het tarief in de eerste schijf in box 1 gaat van 37,35% iets omlaag naar 37,10%.

Voor AOW’ers gaat het tarief in de eerste schijf van 19,45% naar 19,20%. Voor hen gaat het tarief in de tweede schijf van 37,35% naar 37,10% en blijft het tarief in de derde schijf 49,50%.

Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting wordt extra verhoogd. De hoogte van de korting hangt af van het inkomen, waarbij lagere inkomens meer voordeel hebben dan hogere inkomens. De maximale heffingskorting bedraagt in 2021 € 2.837 (2020: € 2.711).

Arbeidskorting
De arbeidskorting die voor 2022 stond gepland, is vervroegd naar 2021. De maximale arbeidskorting bedraagt in 2021 € 4.205 (2020: € 3.819) bij een inkomen tot maximaal € 35.652 (2020: € 34.954).

Ouderenkorting
De ouderenkorting wordt vanaf 2021 verhoogd. Ouderen met een jaarinkomen tot € 49.000 hebben hier voordeel van. De korting bedraagt maximaal € 1.703 (2020: € 1.622).

Box 3
Het voorstel is om het tarief in box 3 van 30% naar 31% te verhogen en het heffingvrije vermogen te verhogen van € 30.846 naar € 50.000 per belastingplichtige (fiscaal partners: € 100.000). Tevens wordt voorgesteld om de beide schijfgrenzen te verlagen naar € 50.000 (2020: € 72.797) respectievelijk € 950.000 (2020: € 1.005.572). Het gehanteerde spaarrendement voor 2021 is 0,03% (2020: 0,07%) en het gehanteerde beleggingsrendement is 5,69% (2020: 5,28%).

De vermogensmix, zoals die sinds 2017 geldt voor de 3 schijven in box 3, wordt niet gewijzigd. Deze komt volgens de staatssecretaris goed overeen met de uitkomsten volgens de 5 meest recent beschikbare belastingjaren 2013-2017. Er is daarom volgens hem geen reden om voor de komende 5 jaar van de huidige parameters af te wijken. De vermogensmix blijft per schijf
derhalve:

De heffing in box 3 vindt over 2021 derhalve per belastingplichtige als volgt plaats:

Fiscale partners mogen het vermogen in box 3 naar eigen inzicht onder hen beiden verdelen, ongeacht van wie dit vermogen is. Hierdoor kan de progressieve heffing in box 3 worden afgezwakt.
Het voorstel heeft tot gevolg dat belastingplichtigen met een relatief kleiner vermogen in vergelijking met 2020 in 2021 minder vermogensrendementsheffing zijn verschuldigd. Belastingplichtigen met een groter vermogen zijn daarentegen in 2021 meer belasting verschuldigd.

Overdrachtsbelasting
Het kabinet wil de positie van starters op de woningmarkt verbeteren. Verder moet het, voor beleggers, minder aantrekkelijk worden woningen op te kopen en tegen hoge huren te verhuren. Daarom wordt voorgesteld om het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting te verhogen van 6% naar 8%. Er wordt een uitzondering gemaakt voor starters op de woningmarkt en degenen die geen starter zijn maar een woning kopen die voor hen een hoofdverblijf is. Het voorstel is dat starters van 18 tot 35 jaar vanaf 2021, bij aankoop van hun eerste woning, een vrijstelling van de overdrachtsbelasting krijgen. Voor degenen die geen starter zijn, maar wel een eigen woning kopen, blijft het verlaagde tarief van 2% gelden. De vrijstelling voor starters loopt in beginsel tot 2026. In het voorjaar 2025 is een evaluatie gepland, waarna wordt vastgesteld of deze wetgeving effectief is.

Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling (voorwaarden 1 t/m 4) dan wel het lage tarief van 2% (voorwaarden 2 en 4) geldt:

1. De koper is 18 tot 35 jaar. Als één van de kopers 35 jaar of ouder is betaalt deze koper wel 2% overdrachtsbelasting over het deel van de woning waar hij eigenaar van wordt.
2. De koper koopt een woning.
3. De koper heeft de vrijstelling voor overdrachtsbelasting niet eerder ontvangen en laat dit vastleggen in een schriftelijke verklaring. Deze verklaring wordt aan de notaris overhandigd. De notaris  mag uitgaan van de juistheid van een dergelijke verklaring, tenzij hij weet dat de verklaring ten onrechte is opgemaakt.
4. De koper gaat zelf in de woning wonen (het zogenoemde hoofdverblijfcriterium) en laat dit vastleggen in een schriftelijke verklaring. De koper geeft deze verklaring af aan de notaris.

Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van aanlevering van de schriftelijke verklaringen. De beoordeling van deze criteria voor de toepassing van de vrijstelling vindt plaats op het moment dat de woning wordt verkregen. Het moment van verkrijging is het moment waarop de akte wordt opgemaakt bij de notaris. De voorgestelde tariefswijziging betekent, dat voor verkrijgingen van woningen die niet, of slechts tijdelijk, als hoofdverblijf worden gebruikt, het algemene tarief van 8% gaat gelden. Denk hierbij aan de verwerving van een vakantiewoning, een woning die ouders kopen voor hun kind en verwervingen van woningen door niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen/woningcorporaties.

Leeftijdsgrens
De leeftijdsgrens van 35 jaar wijkt af van de leeftijdsgrens van 40 jaar die voor de schenkvrijstelling in de Successiewet 1956 ten behoeve van de eigen woning geldt. Dit heeft, volgens het kabinet, te maken met het feit dat de startersvrijstelling en schenkvrijstelling gedeeltelijk een andere doelgroep proberen te bereiken. De schenkvrijstelling is niet alleen gericht om personen die willen  toetreden tot de woningmarkt een steuntje in de rug te geven, maar ook bedoeld voor personen die al een eigen woning hebben en de schenking gebruiken voor de aflossing van de eigenwoningschuld. De startersvrijstelling richt zich alleen op personen die nog geen eigen woning in bezit hebben.

Vereniging van eigenaren
De vrijstelling en het verlaagde tarief van 2% is alleen van toepassing als de economische en de juridische eigendom wordt verkregen. De verkrijging van een specifiek recht van lidmaatschap van een vereniging of coöperatie, waarin het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een woning is inbegrepen, kan wel onder de vrijstelling of het verlaagde tarief vallen. Deze  specifieke lidmaatschapsrechten zien bijvoorbeeld op bepaalde lidmaatschapsrechten die een natuurlijk persoon kan verkrijgen in een zogenoemde flat exploitatievereniging.

Jonge doorstromers
Verkrijgers die aan alle voorwaarden voldoen, maar al wel voor 1 januari 2021 eerder een woning hebben gekocht (jonge doorstromers), kunnen ook in aanmerking komen voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de aankoop van een volgende woning. De doorstromer jonger dan 35 jaar heeft immers nog geen gebruik kunnen maken van de vrijstelling.

Doorverkoop binnen 6 maanden
Uit het wetsvoorstel blijkt dat, bij doorverkoop binnen 6 maanden, voor de verschuldigde overdrachtsbelasting rekening wordt gehouden met de afgedragen overdrachtsbelasting bij de eerste koop.

Controle
De inspecteur beoordeelt achteraf, maar binnen de gebruikelijke naheffingstermijnen, of de verkrijger de woning daadwerkelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Op basis van gegevens van het Kadaster woont 96% van de woningkopers die de woning als hoofdverblijf gebruikt binnen 12 maanden in de woning. Na deze 12 maanden kan de inspecteur in de meeste gevallen een goede beoordeling maken of aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling wordt voldaan. Als uit de objectieve gegevens niet blijkt dat de verkrijger de woning
daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken, geeft de inspecteur de verkrijger de gelegenheid aannemelijk te maken dat de woning toch is gekocht om anders dan tijdelijk te gaan gebruiken als hoofdverblijf. Ingeval onvoorziene gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de
startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen. Onvoorziene gebeurtenissen na de verkrijging zijn onder andere het duurzaam verloren gaan van de woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers en het aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie. Wanneer hier geen sprake van is, wordt alsnog tot 8% overdrachtsbelasting nageheven. De naheffingsaanslag wordt vermeerderd met belastingrente en kan eventueel met een bestuurlijke boete (maximaal 100%) worden opgelegd.

Levensloopregeling
Op 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Voor personen die destijds een levenslooptegoed van ten minste € 3.000 hadden, geldt overgangsrecht tot 1 januari 2022. Als het levenslooptegoed op dat moment nog niet is opgenomen, wordt het niet opgenomen bedrag in een keer in box 1 belast. De ‘loonbelasting’ moet door de werkgever worden afgedragen. In de
praktijk lijkt dit niet werkbaar. Daarom is voorgesteld dat de instelling die de levensloopregeling uitvoert ook de verschuldigde belasting aan de Belastingdienst afdraagt. Bovendien wordt het fictief genietingsmoment vervroegd naar 1 november 2021. Op die manier kan de instelling de verschuldigde loonheffing op tijd op de (ex-)werknemer verhalen. En kan de werknemer voor 1 januari 2022 zijn belastingschuld betaald hebben, wat leidt tot een verlaging van het box 3-vermogen. In gevallen waarin de aanspraak eerder wordt uitgekeerd dan 31 oktober 2021, blijft de werkgever inhoudingsplichtig.

Deze voorstellen kunnen tijdens de behandeling in de Tweede kamer nog veranderen. De stemming in de Tweede Kamer is naar verwachting 12 november 2020. De Eerste Kamer stemt waarschijnlijk op 7 of 8 december 2020.