In het Belastingplan 2021 van 15 september 2020 is een aantal wijzigingen voorgesteld dat betrekking heeft op de particulier. Een belangrijke wijziging betreft een aanpassing van box 3 waardoor de kleine spaarders en beleggers worden ontzien. Een andere belangrijke wijziging is de verhoging van het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting van 6% naar 8% en een vrijstelling voor starters en jonge doorstromers op de woningmarkt. Verder wordt voorgesteld om het overgangsrecht inzake de levensloopregeling aan te passen.

Belastingplan 2021
Op 15 september 2020 heeft het kabinet het Belastingplan 2021 bekendgemaakt. Hierna wordt een aantal relevante voorgestelde wijzigingen en maatregelen voor de particulier weergegeven. De huidige voorstellen kunnen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer nog veranderen. De stemming in de Tweede Kamer is naar verwachting op 12 november 2020. De Eerste Kamer stemt waarschijnlijk op 7 of 8 december 2020.

Tarief box 1
Het tarief in de eerste schijf in box 1 gaat van 37,35% iets omlaag naar 37,10%.

Voor AOW’ers gaat het tarief in de eerste schijf van 19,45% naar 19,20%. Voor hen gaat het tarief in de tweede schijf van 37,35% naar 37,10% en blijft het tarief in de derde schijf 49,50%.

Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting wordt extra verhoogd. De hoogte van de korting hangt af van het inkomen, waarbij lagere inkomens meer voordeel hebben dan hogere inkomens. De maximale heffingskorting bedraagt in 2021 € 2.837 (2020: € 2.711).

Arbeidskorting
De arbeidskorting die voor 2022 stond gepland, is vervroegd naar 2021. De maximale arbeidskorting bedraagt in 2021 € 4.205 (2020: € 3.819) bij een inkomen tot maximaal € 35.652 (2020: € 34.954).

Ouderenkorting
De ouderenkorting wordt vanaf 2021 verhoogd. Ouderen met een jaarinkomen tot € 49.000 hebben hier voordeel van. De korting bedraagt maximaal € 1.703 (2020: € 1.622).

Box 3
Het voorstel is om het tarief in box 3 van 30% naar 31% te verhogen en het heffingvrije vermogen te verhogen van € 30.846 naar € 50.000 per belastingplichtige (fiscaal partners: € 100.000). Tevens wordt voorgesteld om de beide schijfgrenzen te verlagen naar € 50.000 (2020: € 72.797) respectievelijk € 950.000 (2020: € 1.005.572). Het gehanteerde spaarrendement voor 2021 is 0,03% (2020: 0,07%) en het gehanteerde beleggingsrendement is 5,69% (2020: 5,28%).

De vermogensmix, zoals die sinds 2017 geldt voor de 3 schijven in box 3, wordt niet gewijzigd. Deze komt volgens de staatssecretaris goed overeen met de uitkomsten volgens de 5 meest recent beschikbare belastingjaren 2013-2017. Er is daarom volgens hem geen reden om voor de komende 5 jaar van de huidige parameters af te wijken. De vermogensmix blijft per schijf
derhalve:

De heffing in box 3 vindt over 2021 derhalve per belastingplichtige als volgt plaats:

Fiscale partners mogen het vermogen in box 3 naar eigen inzicht onder hen beiden verdelen, ongeacht van wie dit vermogen is. Hierdoor kan de progressieve heffing in box 3 worden afgezwakt.
Het voorstel heeft tot gevolg dat belastingplichtigen met een relatief kleiner vermogen in vergelijking met 2020 in 2021 minder vermogensrendementsheffing zijn verschuldigd. Belastingplichtigen met een groter vermogen zijn daarentegen in 2021 meer belasting verschuldigd.

Overdrachtsbelasting
Het kabinet wil de positie van starters op de woningmarkt verbeteren. Verder moet het, voor beleggers, minder aantrekkelijk worden woningen op te kopen en tegen hoge huren te verhuren. Daarom wordt voorgesteld om het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting te verhogen van 6% naar 8%. Er wordt een uitzondering gemaakt voor starters op de woningmarkt en degenen die geen starter zijn maar een woning kopen die voor hen een hoofdverblijf is. Het voorstel is dat starters van 18 tot 35 jaar vanaf 2021, bij aankoop van hun eerste woning, een vrijstelling van de overdrachtsbelasting krijgen. Voor degenen die geen starter zijn, maar wel een eigen woning kopen, blijft het verlaagde tarief van 2% gelden. De vrijstelling voor starters loopt in beginsel tot 2026. In het voorjaar 2025 is een evaluatie gepland, waarna wordt vastgesteld of deze wetgeving effectief is.

Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling (voorwaarden 1 t/m 4) dan wel het lage tarief van 2% (voorwaarden 2 en 4) geldt:

1. De koper is 18 tot 35 jaar. Als één van de kopers 35 jaar of ouder is betaalt deze koper wel 2% overdrachtsbelasting over het deel van de woning waar hij eigenaar van wordt.
2. De koper koopt een woning.
3. De koper heeft de vrijstelling voor overdrachtsbelasting niet eerder ontvangen en laat dit vastleggen in een schriftelijke verklaring. Deze verklaring wordt aan de notaris overhandigd. De notaris  mag uitgaan van de juistheid van een dergelijke verklaring, tenzij hij weet dat de verklaring ten onrechte is opgemaakt.
4. De koper gaat zelf in de woning wonen (het zogenoemde hoofdverblijfcriterium) en laat dit vastleggen in een schriftelijke verklaring. De koper geeft deze verklaring af aan de notaris.

Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van aanlevering van de schriftelijke verklaringen. De beoordeling van deze criteria voor de toepassing van de vrijstelling vindt plaats op het moment dat de woning wordt verkregen. Het moment van verkrijging is het moment waarop de akte wordt opgemaakt bij de notaris. De voorgestelde tariefswijziging betekent, dat voor verkrijgingen van woningen die niet, of slechts tijdelijk, als hoofdverblijf worden gebruikt, het algemene tarief van 8% gaat gelden. Denk hierbij aan de verwerving van een vakantiewoning, een woning die ouders kopen voor hun kind en verwervingen van woningen door niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen/woningcorporaties.

Leeftijdsgrens
De leeftijdsgrens van 35 jaar wijkt af van de leeftijdsgrens van 40 jaar die voor de schenkvrijstelling in de Successiewet 1956 ten behoeve van de eigen woning geldt. Dit heeft, volgens het kabinet, te maken met het feit dat de startersvrijstelling en schenkvrijstelling gedeeltelijk een andere doelgroep proberen te bereiken. De schenkvrijstelling is niet alleen gericht om personen die willen  toetreden tot de woningmarkt een steuntje in de rug te geven, maar ook bedoeld voor personen die al een eigen woning hebben en de schenking gebruiken voor de aflossing van de eigenwoningschuld. De startersvrijstelling richt zich alleen op personen die nog geen eigen woning in bezit hebben.

Vereniging van eigenaren
De vrijstelling en het verlaagde tarief van 2% is alleen van toepassing als de economische en de juridische eigendom wordt verkregen. De verkrijging van een specifiek recht van lidmaatschap van een vereniging of coöperatie, waarin het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een woning is inbegrepen, kan wel onder de vrijstelling of het verlaagde tarief vallen. Deze  specifieke lidmaatschapsrechten zien bijvoorbeeld op bepaalde lidmaatschapsrechten die een natuurlijk persoon kan verkrijgen in een zogenoemde flat exploitatievereniging.

Jonge doorstromers
Verkrijgers die aan alle voorwaarden voldoen, maar al wel voor 1 januari 2021 eerder een woning hebben gekocht (jonge doorstromers), kunnen ook in aanmerking komen voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de aankoop van een volgende woning. De doorstromer jonger dan 35 jaar heeft immers nog geen gebruik kunnen maken van de vrijstelling.

Doorverkoop binnen 6 maanden
Uit het wetsvoorstel blijkt dat, bij doorverkoop binnen 6 maanden, voor de verschuldigde overdrachtsbelasting rekening wordt gehouden met de afgedragen overdrachtsbelasting bij de eerste koop.

Controle
De inspecteur beoordeelt achteraf, maar binnen de gebruikelijke naheffingstermijnen, of de verkrijger de woning daadwerkelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Op basis van gegevens van het Kadaster woont 96% van de woningkopers die de woning als hoofdverblijf gebruikt binnen 12 maanden in de woning. Na deze 12 maanden kan de inspecteur in de meeste gevallen een goede beoordeling maken of aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling wordt voldaan. Als uit de objectieve gegevens niet blijkt dat de verkrijger de woning
daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken, geeft de inspecteur de verkrijger de gelegenheid aannemelijk te maken dat de woning toch is gekocht om anders dan tijdelijk te gaan gebruiken als hoofdverblijf. Ingeval onvoorziene gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de
startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen. Onvoorziene gebeurtenissen na de verkrijging zijn onder andere het duurzaam verloren gaan van de woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers en het aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie. Wanneer hier geen sprake van is, wordt alsnog tot 8% overdrachtsbelasting nageheven. De naheffingsaanslag wordt vermeerderd met belastingrente en kan eventueel met een bestuurlijke boete (maximaal 100%) worden opgelegd.

Levensloopregeling
Op 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Voor personen die destijds een levenslooptegoed van ten minste € 3.000 hadden, geldt overgangsrecht tot 1 januari 2022. Als het levenslooptegoed op dat moment nog niet is opgenomen, wordt het niet opgenomen bedrag in een keer in box 1 belast. De ‘loonbelasting’ moet door de werkgever worden afgedragen. In de
praktijk lijkt dit niet werkbaar. Daarom is voorgesteld dat de instelling die de levensloopregeling uitvoert ook de verschuldigde belasting aan de Belastingdienst afdraagt. Bovendien wordt het fictief genietingsmoment vervroegd naar 1 november 2021. Op die manier kan de instelling de verschuldigde loonheffing op tijd op de (ex-)werknemer verhalen. En kan de werknemer voor 1 januari 2022 zijn belastingschuld betaald hebben, wat leidt tot een verlaging van het box 3-vermogen. In gevallen waarin de aanspraak eerder wordt uitgekeerd dan 31 oktober 2021, blijft de werkgever inhoudingsplichtig.

Deze voorstellen kunnen tijdens de behandeling in de Tweede kamer nog veranderen. De stemming in de Tweede Kamer is naar verwachting 12 november 2020. De Eerste Kamer stemt waarschijnlijk op 7 of 8 december 2020.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

tien + dertien =